ZORGdotCOM

Communicatieadvies + Tekst

5 manieren waarop apps de zorg nu al kunnen verbeteren 16 september 2014

Vrouw met ThuismeetApp

Thuismeetapp

De meest gebruikte mobiele apps zijn nog steeds apps die patiënten en zorgverleners informatie geven, een soort naslagwerken op je telefoon of tablet. Maar er zijn nu al zeer zinvolle toepassingen die best meer gebruikt mogen gaan worden in de zorg. Die zal er allicht beter van worden.

1. Patiënttevredenheid uitvragen. Veel zorginstellingen doen (verplicht) patiënt- of cliënttevredenheidsonderzoek. Veel instellingen doen dit zelfs nog op papier! Terwijl er al enorm veel digitale tools zijn om de tevredenheid het hele jaar door te monitoren. Want wat heb je aan feedback over de situatie van maanden of een jaar geleden? Dus waarom niet na elk bezoek en elke opname meteen een digitale vragenlijst op de smartphone? Dat levert meer (je vult hem sneller in als je net geweest bent en je er niet voor achter een PC hoeft te kruipen) en kwalitatief betere (je herinnert je alles veel beter) feedback op. Het zou een mooie uitbreiding zijn van pakketten als Explora van de NVZ.

2. Patiëntenvoorlichting. Wie kent het niet, de folderrekken bij je huisarts of ziekenhuis. Of de digitale folders die je vanaf de website van het ziekenhuis mag downloaden. De patiënt is zelf aan zet en ziet vaak niet (op tijd) de juiste en adequate informatie. Gelukkig gaan veel instellingen als over op digitale versies, maar dan nog is het one size fits all. Een website als Inforium levert informatie op maat (samengesteld door je zorgverlener op je PC, tablet of smartphone. App ontwikkelaar Synappz is bezig een platform te ontwikkelen waarop zorgverleners een app op maat kunnen maken voor hun patiënt

3. Videoconsultatie. Online consulten worden in Nederland inmiddels sinds 2013 vergoed. In de VS biedt HealthTap al voor 99 dollar per maand online doktersdiensten, onder andere via videochat.In Nederland richten zich ook steeds meer dienstverleners op deze markt, bijvoorbeeld DotWeb, FaceTalk en SpreekkamerOnline en BeeldbelApp en PatientHub van FocusCura.

4. Remote patient monitoring (RPM). Patiënten op afstand monitoren zal steeds belangrijker worden. Enerzijds omdat het mogelijk is (en patiënten erom zullen vragen), anderzijds omdat het kwaliteit van zorg verbetert. De meeste mensen zijn liever thuis dan in een ziekenhuis of andere zorginstelling. Thuis herstel je sneller en beter, al is het maar omdat je rustiger kunt slapen. Met RPM zouden patiënten nog sneller naar huis kunnen, maar tevens ook langer dan nu in de gaten gehouden kunnen worden als ze eenmaal thuis zijn. Het zou het aantal heropnames wel eens omlaag kunnen brengen en zorgt ervoor dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Bovendien kunnen zorgverleners sneller ingrijpen tussen controleconsulten door en zelfs patiënten ondersteunen bij therapietrouw of leefstijlaanpassingen. FocusCura ontwikkelt hiervoor al toepassingen als de ThuismeetApp. Belangrijk aspect blijft interoperabiliteit: toepassingen moeten kunnen ‘praten’ met veel verschillende ICT-systemen bij de verschillende aangesloten instellingen en zorgverleners (ZISsen, HISsen etc.).

5. Gebruik in klinisch onderzoek. Apps kunnen ingezet worden bij het werven van deelnemers aan klinisch onderzoek, voor de input van real time data over symptomen, bijwerkingen, medicatie-inname en beveiligde communicatie met de onderzoekers. Dit kan erin resulteren dat meer deelnemers het onderzoek volhouden, het onderzoek veilig wordt voor patiënten (real time feedback waardoor je sneller kunt ingrijpen) en betere communicatie tussen deelnemers en onderzoekers. Voor borstkankeronderzoek is de app OWise een voorbeeld hiervan en Psymate is een voorbeeld uit de GGz. Ook kan gamification een onderdeel zijn van de app.

©2014 Harriët Messing

Dit artikel is eerder verschenen op DigitaleZorgGids.

 

7 redenen om compassie bij je personeel te cultiveren 22 januari 2012

  1. Verhoog scores patiënttevredenheid
    Patiënten die compassie ondervinden, geven zorginstellingen de hoogste scores – en gaan vervolgens al hun familie en vrienden vertellen over het geweldige personeel dat voor hen heeft gezorgd.
  2. Verhoog motivatie van je personeel en behoud ze
    Je zult je beste mensen langer vasthouden en zij zullen de standaard van zorg hoog houden, wanneer ze worden uitgenodigd hun hart mee te nemen naar hun werk.
  3. Reduceer het risico op klachten, tuchtrecht- en strafzaken
    Als vuistregel kun je stellen dat mensen geen klachten indienen tegen mensen die ze aardig vinden.
  4. Verbeter patiëntveiligheid
    Betere communicatie met patiënten staat gelijk aan minder fouten.
  5. Gebruik minder ziekenhuismiddelen
    Mensen die het gevoel hebben dat er voor ze wordt gezorgd, maken minder gebruik van zorg. Zij gebruiken bijvoorbeeld minder pijnmedicatie en kunnen gewoonlijk sneller naar huis, omdat er meteen al in hun behoeften is voorzien.
  6. Bespaar op tijd van je medewerkers
    Gebruik minder tijd voor schadebeperking voor de onhandige communicatoren die misverstanden veroorzaken en de gevoelens van hun patiënten kwetsen.
  7. Betere medische uitkomsten
    Onderzoek toont aan dat patiënten die empathie ervaren veel vaker therapietrouw zijn en daardoor betere zorguitkomsten tonen.
 

Patiëntenvoorlichting op de schop 24 maart 2011

Goede voorlichting: neem er de tijd voor

In de interactie tussen zorgverleners en patiënten is al een flinke tijd een verschuiving gaande van het ‘beneficente’ model (dokter weet wat goed voor me is) naar het ‘shared-decision-making’-model. Deze verschuiving heeft de bestaande informatieasymmetrie tussen zorgverleners en patiënten als uitdaging blootgelegd. Het opheffen van die asymmetrie is nog niet zo gemakkelijk. Zorgverleners een echte coach laten worden in de keuzebegeleiding van patiënten, vereist een volledige herinrichting van een vooral zendergerichte patiëntenvoorlichtingstructuur.

Overheid en zorgorganisaties gaan er steeds meer vanuit dat de patiënt eigen verantwoordelijkheid moet nemen. ICT/internet is momenteel de motor achter het mondiger worden van patiënten. Dit betreft echter een kleine en specifieke groep hoogopgeleide mensen. Bovendien: ‘de patiënt’ bestaat niet. Iemand met een incidentele ziekte heeft andere behoeften dan iemand met een chronische ziekte of iemand met een psychische aandoening.

Bestaande informatie is nu vaak te generiek en te hoog gegrepen voor een hele grote groep patiënten. Vaak ook sluit ze niet aan bij hun manier van informatieverwerking (bijvoorbeeld talig of juist beeldend).

Problemen in de huidige patiëntenvoorlichting spelen op vele niveaus:

  1. De zender of het aangeboden informatiemedium. Denk aan het gebruik van jargon, aan te moeilijk geschreven of in direct contact uitgesproken teksten. Of aan incongruente non-verbale communicatie zoals het vermijden van oogcontact.
  2. De ontvanger. Denk aan laag- of ongeletterdheid, aan tijdelijk of blijvend verminderde geestelijke capaciteiten, aan leerstijlen bij informatieverwerking en aan opleidingsniveau.
  3. De boodschap. Bijvoorbeeld als deze niet aansluit op de (informatie)behoefte van de patiënt op dat moment. In de praktijk wordt ook te vaak niet gecheckt of de boodschap is aangekomen zoals deze is bedoeld.
  4. De timing. Als de informatie wordt gegeven op een moment dat de patiënt niet in staat is deze binnen te laten komen. Of als de informatie op een te vroeg of te laat moment in het proces wordt gegeven, zodat de patiënt er op dat moment niets (meer) mee kan.
  5. De bron of ‘macht’ van de zender. Denk aan onduidelijkheid over validiteit en herkomst van zelf (op internet) gevonden bronnen. Of aan de gepercipieerde autoriteit van degene die de informatie geeft.  Het kan bijvoorbeeld voor sommige patiënten verschil maken voor de geloofwaardigheid van de boodschap of deze door een arts of door een verpleegkundige wordt gegeven. Ook kan specifiek advies van een ervaringsdeskundige soms beter werken dan dat van een zorgverlener.

Niet alle informatie leidt tot kennis die kan worden toegepast om keuzes te maken. Stress, nervositeit en onzekerheid bij een patiënt in verschillende stadia van het diagnose- en behandelingsproces kunnen ervoor zorgen dat hij tijdelijk minder informatie op kan nemen. Ook kunnen ze ervoor zorgen dat een patiënt – zelfs als deze een hoog kennisniveau heeft – tijdelijk of gedurende de hele behandeling geen ruimte heeft om zelf keuzes te maken. En zich dan liever overgeeft aan de goede zorgen van de zorgverlener. Bovendien kan een teveel aan informatie ertoe leiden dat een patiënt ‘satisficing’ gaat toepassen. Hierbij worden alle alternatieven één voor één bekeken, vervolgens wordt het eerste alternatief dat goed genoeg is, gekozen.

Goede voorlichting: sluit aan op individuele patiëntDe uitdagingen

Uitdaging één is goed aan te sluiten op de individuele patiënt en te kijken wat het juiste moment is om informatie te geven, hoeveel informatie voor hem verwerkbaar is op dat moment en hem te helpen tot kennisvorming te komen.

Uitdaging twee is bestaande valide informatie op verschillende niveaus en door middel van verschillende media te gaan aanbieden: tekst, video, audio, games, noem maar op. Ook moet de familie in de voorlichting meegenomen worden.  Zeker bij tijdelijk of blijvend verminderde geestelijke capaciteiten.

Uitdaging drie is ervoor te zorgen dat de zorg zo wordt ingericht dat er voldoende tijd is om patiënten goed te begeleiden in het hele voorlichtingsproces. Goede voorlichting op het juiste niveau en het juiste moment door de juiste persoon zou mijns inziens een vast onderdeel moeten zijn van de inrichting van processen in zorginstellingen.

Als vierde is aansluiting bij de beleving en betekenisgeving van de ziekte door de patiënt ook een belangrijk onderdeel van goede voorlichting. Dit kan bijvoorbeeld ook geboden worden door actief online en offline uitwisseling van patiëntenervaringen te faciliteren. Een ook hier moet gekeken worden op welk moment in het behandelproces dit aansluit bij de behoefte van de patiënt.

© 2011 Harriët Messing

 

Overtuigingsmodel voor gedragsverandering leefstijl 2 februari 2011

Om welke reden zou u een ongezonde leefstijl of ongezond gedrag veranderen? Uw motivatie, bekwaamheid en een specifieke trigger zullen het succes van de gedragsverandering bepalen volgens BJ Fogg. Aan de Stanford University in Californië heeft hij met zijn Persuasive Tech Lab een model ontwikkeld voor gedragsverandering in mensen. Dit wordt onder andere gebruikt bij het ontwerp van beoogd gebruikersgedrag op internet. Het leverde toepassingen op die FaceBook meer dan 16 miljoen gebruikersinstallaties in tien weken opleverde. Dit model kan ook heel goed gebruikt worden om in de zorg mensen te bewegen tot gezond(er) gedrag. Het model draagt bij aan de discussie in de zorg over ziektepreventie in het kader van het RVZ-advies  ‘Van ziekte en zorg naar gezondheid en gedrag’.

Fogg onderscheidt motivatie, bekwaamheid en triggers als de belangrijkste componenten van gedrag. Elk van die componenten heeft ook weer subcomponenten. Zijn Fogg Behavioral Model (FBM) stelt dat iemand pas een beoogd gedrag gaat vertonen als hij:

  1. voldoende gemotiveerd is,
  2. in staat is om het beoogde gedrag uit te voeren en
  3. wordt getriggerd om het beoogde gedrag uit te voeren.

Fogg Behavioral Model

Deze drie factoren moeten zich gelijktijdig voordoen, anders zal het gedrag niet optreden. Het FBM is nuttig bij de analyse en het ontwerp van persuasieve technieken. Bovendien geeft het richting aan samenwerking bij teams van professionals omdat het mensen een gedeelde denkwijze geeft over gedragsverandering.

Motivatie en bekwaamheid inwisselbaar

De figuur hiernaast laat zien hoe een beoogd gedrag bereikt kan worden als motivatie, bekwaamheid en triggers aanwezig zijn. In de gezondheidszorg wordt vaak geklaagd dat mensen moeilijk te motiveren zijn tot veranderingen in hun ongezonde leefstijl. Patiënten geven vaak aan wel te willen (motivatie), zelfs als er een trigger aanwezig is, maar het niet te kunnen (bekwaamheid). Door op alle drie componenten in te spelen, kan effectiever worden gecoacht op gedragsverandering. Motivatie en bekwaamheid lijken daarbij inwisselbaar. Een hoge motivatie kan compenseren voor een lage bekwaamheid en andersom. Iemand kan bijvoorbeeld niet van plan zijn een auto te kopen (lage motivatie), maar er toch een kopen als die hem voor 1 euro wordt aangeboden (hoge bekwaamheid). En zo zal de bereidheid een hele moeilijke puzzel op te lossen (bekwaamheid) groter worden als het prijzengeld niet 25 maar 10.000 euro bedraagt (motivatie). Over het algemeen zullen mensen op deze dimensies relatief bescheiden scoren. Effectieve persuasieve interventies vergroten een van beide, meestal door iets gemakkelijker te maken. Maar dan nog is er een trigger nodig. En die is vaak het ontbrekende puzzelstukje.

Vind de trigger!

Al zijn motivatie en bekwaamheid hoog, beoogd gedrag zal niet plaatsvinden als er geen trigger is. Jan vindt het bijvoorbeeld ontzettend leuk om dagelijks gitaar te spelen en het spelen gaat hem ook gemakkelijk af. Motivatie en bekwaamheid zijn aanwezig. Toch vindt hij het moeilijk om er elke dag aan toe te komen. De trigger om elke dag te spelen ontbreekt. Triggers zijn er in veel vormen: een alarm om op te staan, een sms die je aan een afspraak herinnert, een rommelende maag die je aanzet tot eten. Succesvolle triggers beantwoorden aan drie kenmerken:

  1. We merken de trigger op.
  2. We associëren de trigger met het beoogde gedrag.
  3. De trigger treedt op als we gemotiveerd en in staat zijn tot het beoogde gedrag.

De timing van de trigger is vaak het missende element in gedragsveranderingstrategieën. Het is zelfs zo belangrijk dat de Grieken er een woord voor hadden: kairos – het meest opportune moment om te overtuigen. Als motivatie en bekwaamheid iemand over de ‘gedragsactivatiedrempel’ hebben getild, zal de trigger hem aanzetten tot het beoogde gedrag. Dus als het alarm op de mobiel van Jan afgaat terwijl hij aan het winkelen is, zal zijn bekwaamheid laag zijn. Als het afgaat wanneer hij net op de bank zit te knuffelen met zijn vriendin, zal zijn motivatie laag zijn. Als het afgaat op een moment dat Jan thuis is en niet bezig met andere leuke dingen, zal de kans dat hij gitaar gaat spelen groot zijn.

Vormen van motivatie

Fogg onderscheid binnen de component ‘motivatie’ drie subcomponenten:

  1. Genot / pijn: deze subcomponent onderscheidt zich van de volgende twee doordat het resultaat nagenoeg direct optreedt. Er gaat weinig denken of anticiperen aan vooraf. Het is een primitieve stimulus die voortkomt uit zelfbehoud en instandhouding van de soort. Het is een zeer krachtige motivator. Meneer Smit heeft erectiele problemen en heeft hulpmiddelen nodig. Als de dokter meneer Smit vertelt dat zijn erectie weer natuurlijk tot stand zal komen als hij flink gewicht verliest en gaat sporten, zal dit meneer Smit motiveren.
  2. Hoop / angst: Deze dimensie wordt gekenmerkt door de verwachting van een uitkomst: hoop verwacht een goede, angst een slechte uitkomst. Hoop en angst zijn vaak effectievere motivatoren dan genot / pijn. Bijvoorbeeld als mensen een griepprik halen overwinnen ze de angst voor pijn in de hoop geen griep te krijgen. Hoop op genezing kan mensen ertoe aanzetten gezonder te gaan eten als ze kanker hebben. Angst de kleinkinderen niet te kunnen zien opgroeien zal mensen ertoe aanzetten een gezondere leefstijl te kiezen om dreigende hart- en vaatproblemen af te wenden.
  3. Sociale acceptatie / afwijzing: Mensen zijn gemotiveerd gedrag te vertonen dat binnen de eigen groep sociaal geaccepteerd is. Ze zullen gedrag vermijden dat hen sociale afwijzing oplevert. We zien dat terug in kledingkeuze en taalgebruik. Dit zit ingebakken in onze genen vanuit de tijd dat we nog in groepen leefden om te overleven. Zo is bijvoorbeeld de wens de eigen groep te ontstijgen een krachtige motivator voor mensen om ander gedrag te vertonen dan de eigen groep. Soms kan dus een wisseling van omgeving een stimulans geven tot ander gedrag. Bijvoorbeeld door een kind uit een ontwricht gezin in een stabiel gastgezin te plaatsen.

Elementen van eenvoud (bekwaamheid)

Eenvoud is een functie van de meest schaarse bron op het moment dat een gedrag is getriggerd. In deze dimensie onderscheidt Fogg de volgende elementen:

  1. Hoeveel tijd kost het en is die tijd beschikbaar.
  2. Hoeveel geld kost het en is dat geld beschikbaar.
  3. Hoeveel lichamelijke inspanning moet er geleverd worden en is die haalbaar.
  4. Hoe hard moet er nagedacht worden (denkvermogen) en is de persoon daartoe bereid en in staat.
  5. Hoezeer wijkt het beoogd gedrag af van wat sociaal geaccepteerd is.
  6. Hoezeer is het beoogd gedrag niet-routine.

Deze elementen verschillen uiteraard per persoon en situatie. Door deze elementen goed mee te wegen, neem je barrières voor gedragsverandering weg. Over het algemeen lukt persuasief ontwerp sneller als we gedrag eenvoudig maken in plaats van meer ‘motivators’ toe te voegen. Waarom? Mensen verzetten zich tegen ‘motivators’, maar houden van nature van eenvoud.

Typen triggers

Een trigger zet mensen aan gedrag NU te vertonen. Bekend is de verlokking van snoep bij de kassa: impulsaankopen. Er zijn drie soorten triggers die elk op een eigen manier werkzaam zijn.

  1. Vonk: dit is een trigger die van invloed is op de motivatie (bij hoge bekwaamheid). Wanneer motivatie ontbreekt, kan een trigger die inspeelt op een van de drie vormen van motivatie aanzetten tot het beoogd gedrag. Bijvoorbeeld een tekst die angst inboezemt of een video die hoop opwekt. Vonken en andere typen triggers kunnen diverse vormen hebben. Het kanaal of de belichaming doet er niet toe zolang de trigger maar herkend wordt en geassocieerd wordt met het beoogde gedrag op een moment dat de persoon actie kan ondernemen.
  2. Facilitator: dit is een trigger die inspeelt op de dimensie bekwaamheid (bij hoge motivatie). Het zijn dus triggers die het gemakkelijker maken het beoogde gedrag te vertonen. Bijvoorbeeld subsidie op de sportschool of het online programma om te stoppen met roken in het zorgverzekeringspakket.
  3. Signaal: dit is een trigger die werkzaam is bij hoge motivatie en hoge bekwaamheid. Bijvoorbeeld het sms’je om je eraan te herinneren dat het nu tijd is je medicijnen in te nemen.

In de onderstaande SlideShare presentatie legt Fogg uit hoe FBM toepasbaar is op gedragsverandering die betrekking heeft op gezondheid.

Zorg 2.0

Fogg is in zijn Behavioral Tech Lab bovendien aan het onderzoeken hoe internettoepassingen op websites en op smart phones kunnen bijdragen aan gedragsverandering. Ook hier kan de zorg inspiratie vandaan halen voor toepassing van strategieën voor gedragsverandering in e-health en Zorg 2.0.

Relevante links:
Website Stanford Behavioral Tech Lab
Behavior Wizzard leidt je door het ontwerp van de strategie voor gedragsverandering heen.
Verschillende gedragsmodellen

© 2011 Harriët Messing

 

Presentatie informatie sleutel voor patient empowerment 27 januari 2011

Thomas Goetz is executive editor van Wired Magazine en schrijver van het boek ‘The decision Tree, Taking control of your health in the new era op personalized medicine’ Op TEDMED 2010 gaf hij mijns inziens een van de belangrijkste presentaties over hoe de gezondheidzorg NU al patiënten kan empoweren. Simpelweg door nu al beschikbare medische informatie op een betere manier te presenteren die wel tot gedragsverandering kan leiden. Goetz onderscheidt vier informatielagen:

  1. Geef gepersonaliseerde data
  2. Die op dat moment relevant zijn voor de patiënt
  3. Relateer die informatie aan de situatie van de patiënt, zonder angst op te wekken bied keuzes
  4. Geef duidelijke acties aan die patiënt kan ondernemen

Goetz heeft met zijn eigen team voor een investering van slechts 10.000 dollar een aantal voorbeelden gemaakt van hoe bijvoorbeeld laboratoriumuitslagen eruit kunnen gaan zien. Bekijk de video en raak geïnspireerd!

This blogpost was published in English on www.TEDxMaastricht.nl

© 2011 Harriët Messing

 

 
%d bloggers liken dit: