ZORGdotCOM

Communicatieadvies + Tekst

Overtuigingsmodel voor gedragsverandering leefstijl 2 februari 2011

Om welke reden zou u een ongezonde leefstijl of ongezond gedrag veranderen? Uw motivatie, bekwaamheid en een specifieke trigger zullen het succes van de gedragsverandering bepalen volgens BJ Fogg. Aan de Stanford University in Californië heeft hij met zijn Persuasive Tech Lab een model ontwikkeld voor gedragsverandering in mensen. Dit wordt onder andere gebruikt bij het ontwerp van beoogd gebruikersgedrag op internet. Het leverde toepassingen op die FaceBook meer dan 16 miljoen gebruikersinstallaties in tien weken opleverde. Dit model kan ook heel goed gebruikt worden om in de zorg mensen te bewegen tot gezond(er) gedrag. Het model draagt bij aan de discussie in de zorg over ziektepreventie in het kader van het RVZ-advies  ‘Van ziekte en zorg naar gezondheid en gedrag’.

Fogg onderscheidt motivatie, bekwaamheid en triggers als de belangrijkste componenten van gedrag. Elk van die componenten heeft ook weer subcomponenten. Zijn Fogg Behavioral Model (FBM) stelt dat iemand pas een beoogd gedrag gaat vertonen als hij:

  1. voldoende gemotiveerd is,
  2. in staat is om het beoogde gedrag uit te voeren en
  3. wordt getriggerd om het beoogde gedrag uit te voeren.

Fogg Behavioral Model

Deze drie factoren moeten zich gelijktijdig voordoen, anders zal het gedrag niet optreden. Het FBM is nuttig bij de analyse en het ontwerp van persuasieve technieken. Bovendien geeft het richting aan samenwerking bij teams van professionals omdat het mensen een gedeelde denkwijze geeft over gedragsverandering.

Motivatie en bekwaamheid inwisselbaar

De figuur hiernaast laat zien hoe een beoogd gedrag bereikt kan worden als motivatie, bekwaamheid en triggers aanwezig zijn. In de gezondheidszorg wordt vaak geklaagd dat mensen moeilijk te motiveren zijn tot veranderingen in hun ongezonde leefstijl. Patiënten geven vaak aan wel te willen (motivatie), zelfs als er een trigger aanwezig is, maar het niet te kunnen (bekwaamheid). Door op alle drie componenten in te spelen, kan effectiever worden gecoacht op gedragsverandering. Motivatie en bekwaamheid lijken daarbij inwisselbaar. Een hoge motivatie kan compenseren voor een lage bekwaamheid en andersom. Iemand kan bijvoorbeeld niet van plan zijn een auto te kopen (lage motivatie), maar er toch een kopen als die hem voor 1 euro wordt aangeboden (hoge bekwaamheid). En zo zal de bereidheid een hele moeilijke puzzel op te lossen (bekwaamheid) groter worden als het prijzengeld niet 25 maar 10.000 euro bedraagt (motivatie). Over het algemeen zullen mensen op deze dimensies relatief bescheiden scoren. Effectieve persuasieve interventies vergroten een van beide, meestal door iets gemakkelijker te maken. Maar dan nog is er een trigger nodig. En die is vaak het ontbrekende puzzelstukje.

Vind de trigger!

Al zijn motivatie en bekwaamheid hoog, beoogd gedrag zal niet plaatsvinden als er geen trigger is. Jan vindt het bijvoorbeeld ontzettend leuk om dagelijks gitaar te spelen en het spelen gaat hem ook gemakkelijk af. Motivatie en bekwaamheid zijn aanwezig. Toch vindt hij het moeilijk om er elke dag aan toe te komen. De trigger om elke dag te spelen ontbreekt. Triggers zijn er in veel vormen: een alarm om op te staan, een sms die je aan een afspraak herinnert, een rommelende maag die je aanzet tot eten. Succesvolle triggers beantwoorden aan drie kenmerken:

  1. We merken de trigger op.
  2. We associëren de trigger met het beoogde gedrag.
  3. De trigger treedt op als we gemotiveerd en in staat zijn tot het beoogde gedrag.

De timing van de trigger is vaak het missende element in gedragsveranderingstrategieën. Het is zelfs zo belangrijk dat de Grieken er een woord voor hadden: kairos – het meest opportune moment om te overtuigen. Als motivatie en bekwaamheid iemand over de ‘gedragsactivatiedrempel’ hebben getild, zal de trigger hem aanzetten tot het beoogde gedrag. Dus als het alarm op de mobiel van Jan afgaat terwijl hij aan het winkelen is, zal zijn bekwaamheid laag zijn. Als het afgaat wanneer hij net op de bank zit te knuffelen met zijn vriendin, zal zijn motivatie laag zijn. Als het afgaat op een moment dat Jan thuis is en niet bezig met andere leuke dingen, zal de kans dat hij gitaar gaat spelen groot zijn.

Vormen van motivatie

Fogg onderscheid binnen de component ‘motivatie’ drie subcomponenten:

  1. Genot / pijn: deze subcomponent onderscheidt zich van de volgende twee doordat het resultaat nagenoeg direct optreedt. Er gaat weinig denken of anticiperen aan vooraf. Het is een primitieve stimulus die voortkomt uit zelfbehoud en instandhouding van de soort. Het is een zeer krachtige motivator. Meneer Smit heeft erectiele problemen en heeft hulpmiddelen nodig. Als de dokter meneer Smit vertelt dat zijn erectie weer natuurlijk tot stand zal komen als hij flink gewicht verliest en gaat sporten, zal dit meneer Smit motiveren.
  2. Hoop / angst: Deze dimensie wordt gekenmerkt door de verwachting van een uitkomst: hoop verwacht een goede, angst een slechte uitkomst. Hoop en angst zijn vaak effectievere motivatoren dan genot / pijn. Bijvoorbeeld als mensen een griepprik halen overwinnen ze de angst voor pijn in de hoop geen griep te krijgen. Hoop op genezing kan mensen ertoe aanzetten gezonder te gaan eten als ze kanker hebben. Angst de kleinkinderen niet te kunnen zien opgroeien zal mensen ertoe aanzetten een gezondere leefstijl te kiezen om dreigende hart- en vaatproblemen af te wenden.
  3. Sociale acceptatie / afwijzing: Mensen zijn gemotiveerd gedrag te vertonen dat binnen de eigen groep sociaal geaccepteerd is. Ze zullen gedrag vermijden dat hen sociale afwijzing oplevert. We zien dat terug in kledingkeuze en taalgebruik. Dit zit ingebakken in onze genen vanuit de tijd dat we nog in groepen leefden om te overleven. Zo is bijvoorbeeld de wens de eigen groep te ontstijgen een krachtige motivator voor mensen om ander gedrag te vertonen dan de eigen groep. Soms kan dus een wisseling van omgeving een stimulans geven tot ander gedrag. Bijvoorbeeld door een kind uit een ontwricht gezin in een stabiel gastgezin te plaatsen.

Elementen van eenvoud (bekwaamheid)

Eenvoud is een functie van de meest schaarse bron op het moment dat een gedrag is getriggerd. In deze dimensie onderscheidt Fogg de volgende elementen:

  1. Hoeveel tijd kost het en is die tijd beschikbaar.
  2. Hoeveel geld kost het en is dat geld beschikbaar.
  3. Hoeveel lichamelijke inspanning moet er geleverd worden en is die haalbaar.
  4. Hoe hard moet er nagedacht worden (denkvermogen) en is de persoon daartoe bereid en in staat.
  5. Hoezeer wijkt het beoogd gedrag af van wat sociaal geaccepteerd is.
  6. Hoezeer is het beoogd gedrag niet-routine.

Deze elementen verschillen uiteraard per persoon en situatie. Door deze elementen goed mee te wegen, neem je barrières voor gedragsverandering weg. Over het algemeen lukt persuasief ontwerp sneller als we gedrag eenvoudig maken in plaats van meer ‘motivators’ toe te voegen. Waarom? Mensen verzetten zich tegen ‘motivators’, maar houden van nature van eenvoud.

Typen triggers

Een trigger zet mensen aan gedrag NU te vertonen. Bekend is de verlokking van snoep bij de kassa: impulsaankopen. Er zijn drie soorten triggers die elk op een eigen manier werkzaam zijn.

  1. Vonk: dit is een trigger die van invloed is op de motivatie (bij hoge bekwaamheid). Wanneer motivatie ontbreekt, kan een trigger die inspeelt op een van de drie vormen van motivatie aanzetten tot het beoogd gedrag. Bijvoorbeeld een tekst die angst inboezemt of een video die hoop opwekt. Vonken en andere typen triggers kunnen diverse vormen hebben. Het kanaal of de belichaming doet er niet toe zolang de trigger maar herkend wordt en geassocieerd wordt met het beoogde gedrag op een moment dat de persoon actie kan ondernemen.
  2. Facilitator: dit is een trigger die inspeelt op de dimensie bekwaamheid (bij hoge motivatie). Het zijn dus triggers die het gemakkelijker maken het beoogde gedrag te vertonen. Bijvoorbeeld subsidie op de sportschool of het online programma om te stoppen met roken in het zorgverzekeringspakket.
  3. Signaal: dit is een trigger die werkzaam is bij hoge motivatie en hoge bekwaamheid. Bijvoorbeeld het sms’je om je eraan te herinneren dat het nu tijd is je medicijnen in te nemen.

In de onderstaande SlideShare presentatie legt Fogg uit hoe FBM toepasbaar is op gedragsverandering die betrekking heeft op gezondheid.

Zorg 2.0

Fogg is in zijn Behavioral Tech Lab bovendien aan het onderzoeken hoe internettoepassingen op websites en op smart phones kunnen bijdragen aan gedragsverandering. Ook hier kan de zorg inspiratie vandaan halen voor toepassing van strategieën voor gedragsverandering in e-health en Zorg 2.0.

Relevante links:
Website Stanford Behavioral Tech Lab
Behavior Wizzard leidt je door het ontwerp van de strategie voor gedragsverandering heen.
Verschillende gedragsmodellen

© 2011 Harriët Messing

 

De bril en de baby 8 november 2010

De discussie over de hoge babysterfte in Nederland is weer actueel door het onderzoek van het UMC Utrecht. Die discussie woedt al jaren en wat opvalt, is dat er vooral in tegenstellingen wordt gedacht en gediscussieerd. Dat kan te maken hebben met de bril waarmee verloskundigen en gynaecologen naar bevallingen kijken. De verloskundige gaat uit van een normale uitkomst en dus zo min mogelijk ingrijpen (bijna letterlijk een roze bril). De gynaecoloog gaat uit van de mogelijkheid van complicaties en zou dus sneller ingrijpen. Opvallend is echter dat gynaecologen vaak ook langer wachten met ingrijpen als een bevalling als laagrisico is ingeschaald. De crux ligt mijns inziens dan ook in eerste instantie daar: de kwaliteit van de prenatale risicoscreening. Die bepaalt vooral met welke bril beide professionals tijdens een bevalling kijken en handelen. Samenwerking over de hele linie kan beide brillen combineren en zal – samen met andere aanpassingen als 24-uurszorg in ziekenhuizen  –  tot betere uitkomsten leiden.

Samenwerken in bevallingszorg cruciaal

De natuurlijke (thuis)bevalling is in Nederland uitgegroeid tot een dogma van bijna religieuze proporties. En als er sprake is van dogma’s is een discussie die is gebaseerd op feiten onmogelijk. Dat geldt binnen de beroepsgroep verloskundigen en binnen hun doelgroep. Als je iets anders durft te willen dan thuis bevallen, valt iedereen over je heen. Ik kan me nog goed een gezellig etentje met vriendinnen herinneren. Eén van hen kondigde aan voor een ziekenhuisbevalling met ruggenprik te hebben gekozen. Vervolgens werd haar urenlang de maat genomen door de andere dames. Wist ze dan niet dat pijn een functie had. Wist ze dan niet dat de stress van bevallen in een ziekenhuis nadelig was voor de baby. Dat er veel meer complicaties waren bij bevallingen in een ziekenhuis dan als je thuis bevalt. Ik luisterde met stijgende verbazing toe. Toen ik vroeg of ze het niet geweldig vonden dat elke vrouw in Nederland uit al die mogelijkheden mocht kiezen wat het beste bij haar past, kreeg ik zelf de volle laag.

Natuurlijke bevalling uitzondering

Al jaren is bekend dat in Nederland de babysterfte hoger ligt dan in ons omringende landen. Heel veel oorzaken zijn er al voor aangewezen. Vorige week nog kwam er weer een onderzoek langs van het UMC Utrecht. De cijfers daarvan wijzen op de hogere risico’s bij bevallingen die worden begeleid door verloskundigen thuis of in het ziekenhuis. De onderzoekers zeggen er duidelijk bij dat het op zich niet ligt aan de begeleiding van de bevalling door de verloskundigen. Het gaat al in een eerder stadium mis, namelijk bij de prenatale screening. Die wordt nu door verloskundigen gedaan. Echter 50 procent van de vrouwen die door hen als laagrisico wordt aangemerkt, blijkt alsnog in het ziekenhuis terecht te komen tijdens de bevalling. Uiteindelijk blijkt slechts een minderheid van de Nederlandse vrouwen veilig thuis te bevallen. De meerderheid komt vroeg of laat in het ziekenhuis terecht. Toch is dit nauwelijks bekend bij zwangeren. De voorlichting over keuzemogelijkheden en risico’s – vooral nu we in Nederland steeds op latere leeftijd kinderen krijgen – is niet op feiten gebaseerd. Vrouwen laten zich toch vooral leiden door de blijde boodschap van de natuurlijke bevalling als ideaal voor de ‘goede moeder’.

Argwaan in plaats van samenwerking

De reactie vanuit de verloskundige hoek was ook op dit onderzoek weer als vanouds. Ontkenning, geruststellende woorden voor zwangeren en de onderzoekers beschuldigen van een verborgen agenda. Terwijl de onderzoekers vooral stellen dat samenwerking tussen verloskundigen en gynaecologen en voorkomen van overdrachtsmomenten de oplossing is. Maar de angst voor verlies van autonomie (lees zelfstandige praktijkvoering) lijkt bij de KNOV te overheersen. Ik vind dergelijk denken verbazingwekkend en onprofessioneel. Het staat een oplossing voor het eigenlijke probleem in de weg. Het gezamenlijke doel in de bevallingszorg moet immers preventie van onnodige babysterfte zijn? Maar hoe kun je samenwerken met iemand bij wie je een verborgen agenda vermoedt? Zo zet je de discussie klem.

Teamfunctioneren centraal

Inmiddels is ook bekend dat als beide partijen wel samenwerken, dus eigenlijk met beide brillen samen wordt gekeken, bevallingen veiliger verlopen. Er zijn voorbeelden genoeg. Bijvoorbeeld in België waar verloskundige en gynaecoloog een zwangere vrouw afwisselend zien tijdens de zwangerschap. Daardoor is de prenatale screening daar veel beter en worden risico’s in een vroeger stadium herkend. In Nederland wijst onderzoek uit dat bevallen in een geboortecentrum veiliger is. Daar werken verloskundigen en gynaecologen al wel tot volle tevredenheid samen. Dat goed teamfunctioneren (samenwerking en communicatie) van invloed is op kwaliteit en veiligheid van een geboden dienst is vanuit de managementliteratuur genoegzaam bekend. Het wordt tijd dat dit ook centraal komt te staan in de Nederlandse bevallingszorg en dat de ingenomen stellingen eindelijk worden verlaten. Dat lukt echter alleen als je de toegevoegde waarde van elkaars bril kunt en wilt zien.

© 2010 Harriët Messing

 

Beschimmeld brood voor oma 16 september 2010

 

Mooi eten

Mooi eten met biologisch geteelde streekproducten

 

Mijn moeder is 81 en kerngezond. Ze gaat wekelijks naar de gym en klimt nog wel eens over het balkonhek om bladeren uit de afvoer van het platte dak te halen. Haar grootste angst is al jaren om dement te worden en naar een verpleegtehuis te moeten. Want daar raken mensen hun autonomie en waardigheid kwijt, is haar beeld. Ik snap wat ze bedoelt. In Den Haag worden demente bejaarden verwaarloosd en mishandeld. In Goirle puilen de kasten uit met voedsel dat over de datum is. In Oegstgeest verhongeren verzorgingshuisbewoners. Binnenkort gaan haar zus en demente zwager naar een verzorgingsinstelling … we houden ons hart vast.

In de LinkedIn-groep ‘Dutch Health Network’ is een levendige discussie ontstaan over de kwaliteit van het eten in verzorgingshuizen en andere zorginstellingen. Aanleiding is het genoemde artikel in de Telegraaf over wantoestanden in een verpleegtehuis in Goirle. Veel groepsleden vertellen hun eigen negatieve ervaringen met voedselbereiding in instellingen voor bejaarden. Een groepslid vertelt dat zijn moeder regelmatig beschimmeld brood voorgezet krijgt. Boosheid is er ook over de reactie van directielid Wilma Claassen in Goirle: “We hebben protocollen, maar die werden niet voldoende nageleefd.” Ehm…daar hoort Wilma toch op toe te zien?

Niet meteen naar overheid wijzen

Maar er is meer aan de hand. Sommige groepsleden klagen meteen over de bezuinigingen in de zorg en dat de overheid hier iets aan moet doen. Dat is me even te gemakkelijk. Waarom kan de ene instelling wel leuk en lekker koken voor de bewoners en de andere niet. Volgens mij heeft het – sorry dat ik er weer over begin – te maken met de wil om klantgericht te denken en op zoek te gaan naar creatieve oplossingen. Want de maaltijd hoeft helemaal niet het sluitstuk van de begroting te zijn. ’Voeding zou veel meer onderdeel moeten worden van de zorg’ aldus de heer Huijts, Directeur-Generaal Volksgezondheid van het ministerie van VWS, tijdens een Maatschappelijk Café van Ziekenhuis Gelderse Vallei. De overheid heeft er dus best aandacht voor. Wist u trouwens dat onze bejaarden medicijnen krijgen om te kunnen poepen omdat de kwaliteit van het eten over het algemeen zo slecht (lees vezelarm) is?

Goed eten, groter welbevinden

Daarom werd ik ook helemaal blij van de bijdrage op LinkedIn van Lasca ten Kate, Voorzitter Stichting Vriendelijke Keukens. Zij vertelt over initiatieven in verschillende zorginstellingen om ambachtelijk te koken met biologische ingrediënten en streekproducten in het kader van ‘De Mooie Maaltijd’. In de nieuwsbrief van de Week van de Smaak staat een prachtig voorbeeld van verpleeghuis Naarderheem in Naarden. Marco Wisse, directeur van de instelling, vertelt hoe ze succesvol van een zogenaamde ontkoppelde keuken (lees massaproductiekeuken) over zijn gegaan naar een eigen restaurant, Vestion genaamd. Goed koken blijkt al met al nu nog slechts een paar dubbeltjes meer te kosten. Maar de winst is wel dat het fysieke en psychische welbevinden van de bewoners enorm is toegenomen.

De inschatting van Wisse is zelfs dat de ‘gangbare maaltijd’ het qua kosten zal afleggen tegen de ‘Mooie Maaltijd’. Zeker als straks alle cijfers over minder medicijngebruik (laxatieven bijvoorbeeld) meegeteld gaan worden. Verder zijn er besparingen te halen op bijvoorbeeld personeel en afvalstromen. In oktober zullen de resultaten bekend worden van een onderzoek naar het verband tussen biologisch eten (met zorg bereid en geserveerd) en het welbevinden van instellingsbewoners. Het onderzoek is gedaan door de Wageningen UR in opdracht van de ministeries van LNV en VWS. Ik denk dat ik de uitkomst al wel weet. Ik hoop dat het verzorgingshuis van mijn oom en tante dit allemaal al heeft ingezien.

NB. Lasca en anderen binnen de groep willen in oktober bijeenkomen om te kijken hoe ze gezond eten binnen alle instellingen in Nederland op de kaart kunnen gaan zetten. Neem contact op met Lasca: lasca@vriendelijkekeukens.nl als je mee wilt doen of meer wilt weten.

© 2010 Harriët Messing

 

De mammoettanker die EPD heet 9 september 2010

Ik ga van specialist veranderen vanwege een verhuizing. Niets bijzonders. Maar dan moet wel je medisch dossier van de ene naar de andere specialist. Dan wordt het dus per post naar het nieuwe ziekenhuis gestuurd of digitaal (lees: per e-mail). Beide opties zijn niet honderd procent veilig. Post kan onderschept worden of bij de verkeerde persoon bezorgd worden, e-mail ook. Ik heb mijn specialist de gegevens naar mijn huis laten sturen. Ik neem ze zelf mee naar mijn nieuwe specialist. Ik was ook wel benieuwd wat hij daar allemaal in had gezet. Nou, er bleken ook totaal irrelevante zaken over mijn persoonlijke leven in te staan! Goed dat ik die er zelf even uit kon halen. Tipp-ex bedankt!

 

EPD

© photl.com

 

Vandaag staat op Zorgvisie.nl dat het landelijk EPD voorlopig niet door de patiënt zelf kan worden ingezien. Omdat DigID met SMS-verificatie niet veilig genoeg is, TAN-codes blijkbaar onderschept kunnen worden en niet alle telefoons een betere soort encryptie aankunnen. Voor mijn bankzaken is deze methode wel veilig genoeg, maar niet voor het EPD? Persoonlijk raak ik liever mijn medische gegevens kwijt dan mijn geld. Maar ja, dat ben ik.

Geen systeem 100 procent veilig

Nog een probleem bij het EPD. De veiligheid van de online gegevens. Hoe voorkom je dat niet-bevoegde personen deze kunnen lezen. Persoonlijk denk ik dat het onmogelijk is om dat te garanderen. In elk systeem zitten lekken, elk systeem kan gehackt worden. En vlak de menselijke component niet uit. Een assistente van een dokter die uit nieuwsgierigheid het dossier van de overbuurman inkijkt. Of een gokverslaafde medewerker die een verzekeraar de medische gegevens verkoopt van een patiënt die aanspraak maakt op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering.  Dat kan nu al, dat kan straks ook.

EPD, nee bedankt

Uiteraard zie ik er het voordeel van in dat elke arts die met mij te maken krijgt ook mijn medische dossier kan inzien. Maar ik wil daar dan wel zelf de regisseur van zijn. Het zijn MIJN gegevens. Ik heb vorig jaar dus al nee gezegd tegen het EPD. Het project is van het begin af aan verkeerd aangepakt. De patiënt zit niet aan het roer en er is pas veel te laat nagedacht over veiligheid en privacy. Daar komen nu lapmiddelen voor. Vandaag staat ook op WebWereld dat momenteel pas 15 procent van de zorgaanbieders op het EPD aangesloten is. Ziekenhuizen en huisartsen doen het vooral slecht. Ook blijken veel leveranciers hun systemen niet te kunnen koppelen. En het EPD werkt alleen in Nederland, want alle landen zijn weer eens zelf het wiel aan het uitvinden. Niks geleerd van het internetverleden en bedacht dat internationale standaarden toch wel handig zijn.

Medlook

MedLook is bijvoorbeeld een systeem waar ik al blijer van word. MedLook kun je overal ter wereld raadplegen waar internettoegang is en ik bepaal wat erop staat, de gegevens haal ik gewoon zelf bij mijn zorgverlener. Ook is de veiligheid van de gegevens voldoende geregeld. Maar ja, de mammoettanker die EPD heet, vaart en is niet meer te stoppen.

© 2010 Harriët Messing

 

 
%d bloggers liken dit: